Home Over ons

Over ons

Daar was ‘ie dan eindelijk op 19 september 2019: PINDA*, een Indische glossy voor iedereen. En dat in deze tijd, waarin printmedia het erg moeilijk hebben. Een glossy op de markt brengen en dan ook nog eens Indisch? Je lijkt wel tolol (gek)!

De ontstaansgeschiedenis van PINDA*

Er bestaat, al heel lang, zoiets als een Indische Heerenclub. Daar wordt veel besproken en ook ideeën komen regelmatig langs. Vaak zijn het ‘vogels in de lucht’. Maar niet altijd. Omdat van de leden van de ‘club’ het merendeel deel uitmaakt van de mediawereld, zoals Ricci Scheldwacht (journalist) en San Fu Maltha (filmproducent maar in het verleden ook betrokken bij tijdschriften, zoals HP en HP/De Tijd), werd er gedacht aan een magazine.

Het is ongeveer 5 jaar geleden – maar ook al eerder werd er oriënterend gesproken – dat Ricci , San Fu en Simon Jacobus (bladenmaker) hun tour d’horizon begonnen langs mogelijk geïnteresseerde uitgevers. Dat zouden er uiteindelijk wel vier blijken te zijn. Allemaal geïnteresseerd maar allemaal wilden ze rond zo’n idee ook een organisatie. En ook wilden ze de mogelijkheid om het, als het zou aanslaan, vaker uit te brengen. Want het financiële risico van een tijdschrift is – zeker in dit digitale tijdperk – erg groot.

Toen het duidelijk werd dat er zo’n organisatie nodig was (omdat uitgevers steeds afhaakten maar ook met het oog op eventuele subsidies) werd de Stichting Indomedia opgericht. Naast een onbezoldigd bestuur dat alle risico’s droeg, werden ook professionele bladenmakers met ervaring op gebied van eindredactie en vormgeving aangezocht. Want een idee is een idee, voor een magazine als PINDA* was wel méér nodig.

Subsidie voor één nummer van PINDA*

De subsidie – van VWS – kwam er nadat deze was aangevraagd door de Stichting Indomedia. Maar zo’n subsidie kan – net als zovele andere subsidies – alleen aangevraagd worden voor een project. Vervolgens is het aan te vragen bedrag gelimiteerd. Omdat de makers van PINDA* een professioneel magazine voor ogen stond was het aangevraagde en toegekende bedrag voldoende voor één editie.

Inmiddels is er bijvoorbeeld (het nulnummer is al uitgekomen, ook met subsidie) – twee keer per jaar het Indisch Tijdschrift. Zoals iedereen kan vaststellen heeft dat een heel ander – kleinschaliger karakter – waardoor met één subsidie toch twee edities kunnen worden gemaakt.

Subsidie voor één nummer betekent niet dat er op termijn maar één nummer zou kunnen verschijnen

De stichting was in principe bereid om bij succes een volgende uitgave niet uit te sluiten. Het Nederlands-Indische erfgoed kan immers alleen blijven bestaan wanneer ook de moeilijk bereikbare jongere generaties zich aangesproken zouden voelen. Daarbij kan zo’n vaker uitkomend magazine – en website – helpen. Stichtingsbestuur en de benoemde hoofdredacteur Ricci Scheldwacht verschilden van mening over nut en noodzaak van een mogelijke volgende uitgave. Besloten werd deze discussie pas aan te gaan nadat het resultaat bekend zou worden van de eerste uitgave. Standpunten kunnen veranderen – inmiddels weten we dat dit niet zo is – maar ook is het altijd denkbaar dat bij een vervolg iemand anders uit het team het stokje van hem zou overnemen. Zoiets gebeurt regelmatig, ook bij veel gerenommeerde tijdschriften.

En toen was er die subsidie

Door een inspanning van het hele team van makers werd de formule van het blad vervolgens verbreed, die formule was in de oorspronkelijke opzet beperkter omdat bleek dat, in de allereerste versie, Ricci onder andere 12 pagina’s voor de Moesson, de Tong Tong Fair en het Indisch Herinneringscentrum voor ogen had.

Met de VWS-subsidie werd het mogelijk om de kosten van schrijvers, fotografen, vormgevers, illustratoren en de gehele redactionele organisatie te dekken.

Redactionele kosten zijn maar een deel van de kosten van een magazine, veelal worden ze begroot op ca. 40 procent van het geheel. Dan blijft er een aanzienlijk bedrag over waarmee de kosten voor druk, distributie, marketing en de rest van een uitgeeforganisatie, moeten worden gedekt. Dat is het risico van de uitgever. Dat zo’n uitgeefrisico – ondanks de subsidie – nog altijd groot is bleek ook wel: op het laatste moment ging het bijna alsnog mis.

De inmiddels gecommitteerde uitgever had second thoughts, juist vanwege de financiële risico’s.

Terwijl het blad al bijna klaar was voor de drukker moest halsoverkop de zoektocht worden hervat. En dat lukte. De Stichting Indomedia ging een samenwerking aan met MIMM B.V., die sinds 1985 bij tal van tijdschriften is betrokken en direct kennis en ervaring meebracht als het gaat om druk, distributie, marketing en online-verkopen.

En de rest is geschiedenis

Of toch niet? PINDA* bleek een flink succes maar dat was op voorhand niet te voorspellen. Hoe dan nu verder?

De naam, wel of niet? Doorgaan, ja of nee? Een onderzoek

Natuurlijk wisten uitgever, stichtingsbestuur, hoofdredacteur en rest van de redactie al bij de start dat de gekozen naam, PINDA*, veelbesproken zou worden.

Scheldwoord of geuzennaam?

De meningen over deze binnen de Indische Heerenclub bedachte naam bleken flink verdeeld. Maar ook kwamen er honderden verzoeken om snel tot een volgende uitgave te komen.

En suggesties voor de inhoud: Boudewijn de Groot, Yvonne Keuls, Johnny Manahutu/Massada, Wudstick, OG3NE, Justine Pelmelay, aandacht voor Amerindo’s, Papoea’s, Toegoenezen en Belanda Hitam’s – om wat voorbeelden te noemen – werden gemist. Op de website en op Facebook verscheen daarom een poll waar iedereen zich kon uitspreken.

De uitslag van het onderzoek was overtuigend

Maar liefst 92 procent kijkt uit naar een vervolg. Slechts 5 procent zag een vervolg niet zitten. Maar 17 procent ziet dan wel graag een andere naam. Natuurlijk kun je zeggen dat 17 procent een kleine minderheid is maar de makers vinden dat, wanneer je een ongemakkelijk gevoel eenvoudig kunt vermijden, je naar een alternatief kunt zoeken. Zeker wanneer mensen binnen de Nederlands-Indische gemeenschap pijn gedaan wordt door de oude naam.

PINDA* wordt PINDAH

Die alternatieve naam – PINDAH – komt tegemoet aan beide groepen. PINDAH betekent verhuizen en staat symbool voor de migratie en de verbinding met Indonesië. En daarbij in het Nederlands hetzelfde wordt uitgesproken als de oorspronkelijke naam.

Hoe nu verder?

De Stichting Indomedia besloot tot een vervolg – samen met MIMM – met een voorzien verschijningstijdstip in april 2020. Die volgende uitgave komt er zonder subsidie omdat zowel de stichting als MIMM bereid zijn opnieuw risico’s te nemen. Met dát verschil dat die risico’s – door het succes van PINDA* – nu wat inzichtelijker zijn.

Ricci Scheldwacht blijft bij zijn besluit dat hij alleen hoofdredacteur zal zijn van één uitgave.

Dat hebben we te respecteren. Het grootste deel van het team achter PINDAH blijft in stand. De kwaliteit van de bijdragen is gewaarborgd door een combinatie van bestaande medewerkers én veel nieuw talent dat zich inmiddels heeft aangemeld. 

De wordingsgeschiedenis van PINDA* is in meer detail al eerder beschreven door San Fu Maltha. U leest ‘m hier (link)

%d bloggers liken dit: